wft examen oefenen

Flashcards

Flashcards Wft Basis

Elke kaart legt één begrip uit: de kern, hoe het werkt, een voorbeeld uit de praktijk en de valkuil waar het examen op test. Met slim herhalen zie je moeilijke kaarten vaker en kaarten die je kent pas later terug.

Stapels per onderwerp

Alle 250 kaarten?

Met elke training krijg je alle flashcards, de oefenvragen en de proefexamens. Je voortgang wordt bewaard in je account.

De gratis kaarten

18 kaarten uit verschillende onderwerpen. Klik op een kaart om de uitleg te lezen.

Wat is het verschil tussen schenkbelasting en erfbelasting?

Schenkbelasting betaal je over wat je krijgt terwijl de gever nog leeft. Erfbelasting betaal je over wat je krijgt door iemands overlijden. Beide staan in de Successiewet en de ontvanger betaalt.

Beide gebruiken dezelfde tarieven en dezelfde schijfgrens, in 2026 € 158.669 (art. 24 Successiewet). De vrijstellingen verschillen wel. Een kind krijgt in 2026 € 26.230 vrij van erfbelasting, maar per jaar maar € 6.908 vrij van schenkbelasting. Een schenking in de 180 dagen voor het overlijden van de gever telt als verkregen krachtens erfrecht (art. 12).

Voorbeeld: Oma schenkt Daan € 10.000 in maart 2026. Dat is een schenking. Overlijdt oma in juni 2026, dan telt die schenking als erfenis en valt ze onder de erfbelasting.

Valkuil: Niet de gever betaalt, maar de ontvanger. Het tarief hangt af van de relatie tussen gever en ontvanger.

Ezelsbrug: Leeft de gever nog: schenken. Is hij overleden: erven.

Bron: Successiewet 1956, artikel 1, 12 en 24

Wat is het verschil tussen sparen en beleggen?

Bij sparen zet je geld op een rekening bij een bank en krijg je rente; je inleg blijft gelijk. Bij beleggen koop je bijvoorbeeld aandelen, obligaties of beleggingsfondsen; de waarde kan stijgen en dalen, dus je kunt ook verliezen.

Sparen geeft zekerheid over je inleg, maar meestal een lager rendement. Beleggen geeft op lange termijn kans op meer rendement, met risico. Ook de bescherming verschilt: spaargeld valt onder de depositogarantie tot € 100.000 per persoon per bank. Aandelen en obligaties vallen daar niet onder.

Voorbeeld: Mees zet € 5.000 op een spaarrekening en heeft na een jaar € 5.000 plus rente. Zijn zus koopt voor € 5.000 aandelen. Na een jaar zijn die € 4.300 of juist € 5.600 waard.

Valkuil: Een beleggingsrekening valt niet onder de depositogarantie.

Ezelsbrug: Sparen: zeker, maar weinig. Beleggen: kans op meer, maar geen garantie.

Bron: DNB, Tot welk bedrag is mijn geld beschermd?, wat niet beschermd is

Wat is het verschil tussen de hypotheekgever en de hypotheeknemer?

De hypotheekgever is de eigenaar van het registergoed die het recht van hypotheek verleent, meestal de lener. De hypotheeknemer (in de wet: hypotheekhouder) is de partij die het recht krijgt, meestal de bank.

Het recht van hypotheek is een zekerheidsrecht. Het wordt gevestigd met een notariële akte waarin de hypotheekgever het recht aan de hypotheekhouder verleent, gevolgd door inschrijving in de openbare registers. Betaalt de schuldenaar niet, dan mag de hypotheekhouder de woning laten verkopen en zich met voorrang uit de opbrengst betalen.

Voorbeeld: Jan en Anouk kopen een huis met een lening van hun bank. Jan en Anouk geven de hypotheek: zij zijn hypotheekgevers. De bank neemt de hypotheek: de bank is hypotheeknemer.

Valkuil: Veel mensen denken dat de bank de hypotheek geeft, omdat de bank het geld geeft. Juridisch is het andersom: de klant geeft het zekerheidsrecht.

Ezelsbrug: Wie het huis heeft, geeft de hypotheek.

Bron: Burgerlijk Wetboek Boek 3, artikel 3:227 en 3:260 lid 1

Wat is het verschil tussen een volksverzekering en een werknemersverzekering?

Een volksverzekering geldt voor iedereen die in Nederland woont, of hier in loondienst werkt: AOW, Anw en Wlz. Een werknemersverzekering geldt alleen voor werknemers: WW, Ziektewet, WIA en WAO.

Volksverzekeringen dekken risico's die iedereen loopt, zoals ouderdom, het overlijden van een partner en langdurige zorg. Werknemersverzekeringen dekken inkomensverlies door werkloosheid, ziekte of arbeidsongeschiktheid. Samen heten ze de sociale verzekeringen.

Voorbeeld: Romy is zzp'er. Zij bouwt wel AOW op en valt onder de Anw en Wlz. Voor de WW en WIA is ze niet verzekerd. Wil ze zich tegen arbeidsongeschiktheid verzekeren, dan moet ze dat zelf regelen.

Valkuil: De Zorgverzekeringswet is geen volksverzekering in deze rij. De Wlz is dat wel.

Ezelsbrug: Volk: AOW, Anw, Wlz. Werknemer: WW, ZW, WIA, WAO.

Bron: Wet financiering sociale verzekeringen, artikel 2

Wat is het verschil tussen een bedrijfstakpensioenfonds (bpf) en een ondernemingspensioenfonds (opf)?

Een bpf voert pensioenregelingen uit voor een of meer bedrijfstakken of delen daarvan. Een opf is verbonden aan één onderneming of een groep van ondernemingen.

Bij een bpf kan de deelneming verplicht zijn gesteld: dan moeten alle werkgevers in die sector meedoen. Een opf is er alleen voor de werknemers van dat ene bedrijf of concern. Beide zijn stichtingen en beide zijn pensioenuitvoerders, net als het algemeen pensioenfonds, de premiepensioeninstelling en de verzekeraar.

Voorbeeld: Een timmerman bij een bouwbedrijf bouwt pensioen op bij het fonds van de bouwsector: een bpf. Een medewerker van een groot elektronicaconcern met een eigen fonds zit in een opf.

Valkuil: Bij een verplichtgesteld bpf kan de werkgever niet zelf kiezen voor een andere pensioenuitvoerder.

Ezelsbrug: Bedrijfstak is de sector, onderneming is het ene bedrijf.

Bron: Pensioenwet, artikel 1 (bedrijfstakpensioenfonds, ondernemingspensioenfonds)

Wat is het verschil tussen een opstalverzekering en een inboedelverzekering?

Een opstalverzekering dekt schade aan het huis zelf: muren, dak, vloeren en vaste onderdelen. Een inboedelverzekering dekt schade aan je spullen in huis, zoals meubels, kleding en apparaten.

De opstalverzekering is voor de eigenaar van de woning. Een huurder heeft die niet nodig, de verhuurder wel. De inboedelverzekering is voor iedereen met spullen in huis, ook huurders. Beide zijn bezitsverzekeringen: ze dekken schade aan je eigen bezit, bijvoorbeeld door brand, storm of inbraak. Wat precies gedekt is, staat in de polisvoorwaarden.

Voorbeeld: Bij een brand in de keuken van huurder Jesse gaan het aanrecht en zijn magnetron verloren. Het vaste aanrecht valt onder de opstalverzekering van de verhuurder. De magnetron valt onder Jesses inboedelverzekering.

Valkuil: Een huurder denkt soms dat hij een opstalverzekering nodig heeft. Die is voor de eigenaar.

Ezelsbrug: Draai je huis om: wat eruit valt is inboedel, wat blijft zitten is opstal.

Bron: CDFD, Eindtermen en toetstermen module Basis vanaf 1 april 2026, toetsterm 1e.7

Wat is het verschil tussen gedragstoezicht en prudentieel toezicht?

Prudentieel toezicht kijkt of financiële ondernemingen solide zijn en of het financiële stelsel stabiel blijft. Gedragstoezicht kijkt hoe ondernemingen zich gedragen tegenover klanten en op de markt.

DNB doet het prudentiële toezicht (art. 1:24 Wft). Denk aan genoeg vermogen, zodat een bank of verzekeraar zijn verplichtingen kan nakomen. De AFM doet het gedragstoezicht (art. 1:25 Wft). Dat gaat over ordelijke en transparante marktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten.

Voorbeeld: Een verzekeraar heeft te weinig vermogen om alle toekomstige uitkeringen te betalen: dat is een zaak voor DNB. Een adviseur raadt een klant een ongeschikt product aan: dat is een zaak voor de AFM.

Valkuil: Een examenvraag koppelt soliditeit soms aan de AFM. Dat is fout: soliditeit is prudentieel toezicht en dus DNB.

Ezelsbrug: DNB kijkt naar de kas, de AFM naar de klant.

Bron: Wet op het financieel toezicht, artikel 1:24 en 1:25

Wat is het verschil tussen adviseren en bemiddelen?

Adviseren is een specifiek financieel product aanbevelen aan een bepaalde klant. Bemiddelen is als tussenpersoon een overeenkomst tot stand brengen tussen klant en aanbieder, en bij verzekeringen ook assisteren bij beheer en uitvoering (art. 1:1 Wft).

Het zijn twee aparte financiële diensten, elk met een eigen vergunningplicht (art. 2:75 en 2:80 Wft). Vaak doet één kantoor allebei, maar dat hoeft niet. Wie alleen bemiddelt, geeft geen persoonlijke aanbeveling en meldt dat bij aanvang (art. 4:23 lid 2 Wft).

Voorbeeld: Fatima zegt: 'Voor jouw situatie raad ik deze inboedelverzekering aan.' Dat is adviseren. Daarna vult ze met de klant de aanvraag in en stuurt die naar de verzekeraar. Dat is bemiddelen.

Valkuil: Een aanvraag doorsturen is geen advies. Adviseren draait om de aanbeveling, bemiddelen om het tot stand brengen van de overeenkomst.

Ezelsbrug: Adviseren is aanraden, bemiddelen is regelen.

Bron: Wet op het financieel toezicht, artikel 1:1 (adviseren, bemiddelen), 2:75 en 2:80

Wat is het verschil tussen verzekeringnemer, verzekerde, premiebetaler en begunstigde?

De verzekeringnemer sluit de verzekering en is de wederpartij van de verzekeraar. De verzekerde is bij een schadeverzekering wie recht heeft op vergoeding van zijn schade, bij een sommenverzekering degene op wiens leven of gezondheid de verzekering slaat. De begunstigde ontvangt de uitkering.

De verzekeringnemer heeft de rechten en plichten uit de overeenkomst, zoals de mededelingsplicht (art. 7:925 en 7:928 BW). Hij wijst de begunstigde aan (art. 7:966 BW). De premiebetaler is wie de premie feitelijk betaalt. Eén persoon kan dus meer rollen hebben.

Voorbeeld: Ingrid sluit een overlijdensrisicoverzekering op het leven van haar man Ben, met zichzelf als begunstigde. Ingrid is verzekeringnemer en begunstigde, Ben is verzekerde. Betaalt haar vader de premie, dan is hij premiebetaler.

Valkuil: Bij een levensverzekering is de verzekerde niet degene die het geld krijgt. Dat is de begunstigde.

Bron: Burgerlijk Wetboek Boek 7, artikel 7:925, 7:945, 7:965 en 7:966

Wat is het verschil tussen enkelvoudige en samengestelde rente?

Bij enkelvoudige rente krijg je elk jaar rente over alleen de inleg. Bij samengestelde rente krijg je ook rente over de rente die al is bijgeschreven.

Enkelvoudig: de rente per jaar is steeds hetzelfde bedrag. Het eindbedrag is inleg x (1 + i x n). Samengesteld: de rente wordt bijgeschreven en telt het jaar erna mee. Het eindbedrag is inleg x (1 + i)^n. Hoe langer de looptijd, hoe groter het verschil.

Voorbeeld: Je zet 10.000 euro weg tegen 3% per jaar, 2 jaar lang. Enkelvoudig: 10.000 x (1 + 0,03 x 2) = 10.600 euro. Samengesteld: 10.000 x 1,03 x 1,03 = 10.609 euro. Na 10 jaar is het 13.000 euro tegenover 13.439,16 euro.

Valkuil: In een examenvraag staat de uitkomst van de andere methode bijna altijd tussen de opties. Lees of de rente blijft staan (samengesteld) of wordt uitbetaald (enkelvoudig).

Ezelsbrug: Samengesteld is rente op rente.

Bron: CDFD, Toetstermen Basis vanaf 1 april 2026, toetsterm 2a.1

Wat is het verschil tussen identificeren en verifiëren?

Identificeren is vaststellen wie de klant zegt te zijn, bijvoorbeeld zijn naam en geboortedatum. Verifiëren is controleren of dat klopt, met documenten of gegevens uit een betrouwbare en onafhankelijke bron.

De Wwft vraagt allebei in het cliëntenonderzoek (artikel 3 lid 2 onderdeel a). Bij een natuurlijk persoon verifieer je met een geldig document, zoals een paspoort, Nederlandse identiteitskaart of Nederlands rijbewijs (artikel 11 Wwft en artikel 4 Uitvoeringsregeling Wwft). Lukt dat niet, dan ga je geen zakelijke relatie aan (artikel 5 Wwft).

Voorbeeld: Meneer Jansen vult zijn gegevens in op het aanvraagformulier. Daarmee identificeert hij zich. Jij legt zijn geldige rijbewijs naast die gegevens en controleert foto, naam en geldigheid. Dat is verifiëren.

Valkuil: Een ingevuld formulier of een mondelinge opgave is geen verificatie. Het examen test vaak of je ziet dat de controle met een document nog ontbreekt.

Ezelsbrug: Identificeren: wie ben je? Verifiëren: laat zien dat het klopt.

Bron: Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), artikel 3 lid 2 onderdeel a, artikel 5 lid 1 en artikel 11 lid 1

Wat is het verschil tussen een behoefte signaleren en zelf adviseren?

Signaleren is opmerken en benoemen dat een klant misschien een financiële behoefte heeft. Adviseren is een specifiek financieel product aanbevelen aan deze klant. Dat laatste doet alleen wie daarvoor bevoegd en vakbekwaam is.

De Wft omschrijft adviseren als het aanbevelen van een of meer specifieke financiële producten aan een bepaalde consument. Leads genereren hoort ook bij jouw taak als je niet mag adviseren. Je luistert, benoemt wat je hoort en verwijst door. De financiële onderneming zorgt voor de vakbekwaamheid van wie klanten financiële diensten verleent (art. 4:9 lid 2 Wft).

Voorbeeld: Een klant vertelt aan de balie dat hij een huis gaat kopen. Jij zegt: "Zal ik een afspraak maken met onze hypotheekadviseur?" Dat is signaleren. "Neem deze hypotheek met tien jaar rentevast" is adviseren.

Valkuil: Een korte tip over één specifiek product voor deze klant is al een aanbeveling, dus adviseren.

Bron: Wet op het financieel toezicht, artikel 1:1 (adviseren) en 4:9 lid 2

Wat is het verschil tussen een traceerbaar en een reconstrueerbaar dossier?

Traceerbaar betekent dat je kunt terugvinden wat er is gebeurd: wie, wat en wanneer. Reconstrueerbaar betekent dat een ander achteraf kan begrijpen waarom het zo is gegaan.

Het CDFD vraagt bij 2d.1 dat adviezen traceerbaar en reconstrueerbaar zijn, en dat het dossier bruikbaar is voor interne controle en het toezicht van de AFM. Traceerbaar gaat over feiten en data. Reconstrueerbaar gaat over de redenering: welke klantgegevens je gebruikte en waarom het advies daarbij past. Bij advies baseer je het advies mede op de ingewonnen klantinformatie (art. 4:23 lid 1 Wft).

Voorbeeld: In het dossier staat: "15-4-2026 advies spaarrekening met opzegtermijn." Dat is traceerbaar. Pas met het doel, de buffer en de overwegingen van de klant erbij is het reconstrueerbaar.

Valkuil: Een dossier met alleen het afgesloten product is niet genoeg. Meestal ontbreekt de onderbouwing.

Ezelsbrug: Traceren: wat en wanneer. Reconstrueren: waarom.

Bron: CDFD, Eindtermen en toetstermen module Basis vanaf 1 april 2026, toetsterm 2d.1; art. 4:23 lid 1 Wft

Wat is het verschil tussen een open en een gesloten vraag?

Een open vraag nodigt uit tot een eigen verhaal en begint vaak met wat, hoe, waarom of waarvoor. Een gesloten vraag heeft een kort antwoord: ja, nee of één feit.

Het CDFD vraagt bij 3a.1 dat je gevarieerde vragen stelt. Aan het begin van een intake helpen open vragen om de situatie en de wensen te leren kennen. Gesloten vragen gebruik je om feiten te controleren, zoals een geboortedatum of een bedrag. Een goed gesprek wisselt beide af. Veel gesloten vragen achter elkaar voelt als een verhoor.

Voorbeeld: Open: "Waarvoor wilt u gaan sparen?" Gesloten: "Wilt u sparen voor een keuken?" De tweede vraag stuurt de klant al naar een antwoord.

Valkuil: "Kunt u vertellen hoe dat ging?" lijkt gesloten, maar werkt als open vraag. Kijk naar wat de vraag uitlokt, niet alleen naar het eerste woord.

Ezelsbrug: Open vragen openen het verhaal, gesloten vragen leggen een feit vast.

Bron: CDFD, Eindtermen en toetstermen module Basis vanaf 1 april 2026, toetsterm 3a.1

Wat is het verschil tussen een ongebruikelijke en een verdachte transactie?

Een ongebruikelijke transactie is een transactie die op grond van de wettelijke indicatoren als ongebruikelijk moet worden aangemerkt. De instelling meldt die aan de FIU-Nederland. Verdacht wordt een transactie pas als de FIU dat na analyse beoordeelt.

De instelling hoeft dus niet te bewijzen dat er witwassen is. Zij beoordeelt of een indicator van toepassing is en meldt dan onverwijld (art. 16 lid 1 Wwft). De FIU verzamelt en analyseert de meldingen (art. 13 Wwft). Volgens de Belastingdienst beoordeelt de FIU daarna of de transactie verdacht is en door een opsporingsinstantie moet worden onderzocht.

Voorbeeld: Een klant stort elke week bijna € 3.000 contant zonder duidelijke reden. De bank merkt dit aan als ongebruikelijk en meldt het. Of het verdacht is, beslist de bank niet.

Valkuil: "Ik meld pas als ik zeker weet dat het crimineel geld is" is fout. Een indicator is genoeg.

Ezelsbrug: Ongebruikelijk meldt de instelling, verdacht verklaart de FIU.

Bron: Belastingdienst, Ongebruikelijke transactie melden voor de Wwft, art. 1, 13 en 16 Wwft; melding en beoordeling door FIU-Nederland

Wat is het verschil tussen een klacht en een vraag?

Een vraag is een verzoek om informatie of hulp. Een klacht is een uiting van ontevredenheid over een dienst, product of behandeling, waarbij de klant wil dat er iets mee gebeurt.

Het verschil bepaalt de route. Een vraag beantwoord je of verwijs je door. Een klacht neem je aan en behandel je volgens de interne klachtenprocedure die een financiëledienstverlener moet hebben (art. 4:17 lid 1 onder a Wft). Die procedure is gericht op een spoedige en zorgvuldige behandeling. Twijfel je, vraag dan of de klant zijn bericht als klacht bedoelt.

Voorbeeld: "Wanneer wordt mijn schade betaald?" is een vraag. "Ik wacht al zes weken, dit is onacceptabel en ik wil dat u dit oplost" is een klacht.

Valkuil: Een boze toon maakt iets nog geen klacht, en een rustige toon sluit een klacht niet uit. Kijk naar de inhoud.

Bron: Wet op het financieel toezicht, artikel 4:17 lid 1

Wat is het verschil tussen een begunstigde bij naam en een begunstigde in hoedanigheid?

Bij naam staat er een persoon, zoals "Peter de Vries". In hoedanigheid staat er een rol, zoals "mijn echtgenoot". Bij een rol wordt vermoed dat bedoeld is wie die rol heeft op het moment dat de aanwijzing onherroepelijk wordt, bijvoorbeeld bij overlijden (art. 7:967 lid 2 BW).

Dit telt na een scheiding. Staat er alleen "mijn echtgenoot", dan is de ex-partner op dat moment geen echtgenoot meer. Staat er een naam, dan blijft die persoon begunstigde tot de verzekeringnemer dat wijzigt. Staan naam en rol er allebei, dan wordt vermoed dat de bij naam genoemde persoon bedoeld is.

Voorbeeld: Op de polis van Sandra staat "Peter de Vries, mijn echtgenoot". Na de scheiding blijft Peter vermoedelijk begunstigde. Wil Sandra dat niet, dan moet ze het wijzigen.

Valkuil: Een scheiding past de begunstiging niet vanzelf aan. Dat hangt af van de formulering.

Bron: Burgerlijk Wetboek Boek 7, artikel 7:967 lid 2

Wat is het verschil tussen integer handelen en een wettelijke plicht nakomen?

Een wettelijke plicht is wat de wet van je eist. Integer handelen gaat verder: je doet ook wat juist is als de wet het niet voorschrijft, en je kunt je keuze open uitleggen.

De Wft eist bijvoorbeeld dat een financiëledienstverlener een beleid voert dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgt (art. 4:11 lid 2 Wft), en dat hij zorgvuldig rekening houdt met de belangen van de consument (art. 4:24a lid 1). Maar niet elk dilemma staat in de wet. Het CDFD vraagt bij eindterm 4a dat je dilemma's analyseert en bespreekbaar maakt, ook bij situaties die mogen maar maatschappelijk niet wenselijk zijn.

Voorbeeld: Een klant wil een dure extra dekking die hij nauwelijks nodig heeft. Verkopen mag. Integer is: uitleggen dat die weinig toevoegt en hem laten kiezen.

Valkuil: "Het mag volgens de wet, dus het is goed" is bij 4a vaak het foute antwoord.

Ezelsbrug: De wet is de ondergrens.

Bron: Wet op het financieel toezicht, artikel 4:11 lid 2 en 4:24a lid 1

Weet je hoe ver je bent?

Doe de gratis test van 10 vragen en zie direct je score. Bevalt het, dan kies je een training vanaf € 19,95, eenmalig betalen.